… er nu warm water in huis is en ik nu kan genieten van een warme douche?
… Chiel verhuisd is naar een ander huis in Paramaribo omdat hij niet kon slapen van het nachtlawaai?
… als gevolg daarvan ik nu alleen thuis woon, omdat ik toch als een roos slaap?
… er een grote storing (regenval) is geweest hier in Suriname?
… dat als gevolg daarvan de straten helemaal onder water stonden?
… ik een onzichtbaar groot wat ben ingewandeld?
… ik hoogstens een paar schrammetjes heb opgelopen en een natte GSM?
… dat mijn GSM een tijdje raar deed maar nu terug volkomen normaal doet?
… ik mijn hand met henna heb laten versieren door een Hindoestaans meisje?
… er een mooi, groot groen beest over mijn terras kroop?
… dat dit een leguaan bleek te zijn?
… dat leguanen lekker zijn, maar deze toch ontsnapte?
… mijn vlucht nu omgeboekt is van 10 juni naar 12 juni?
… dat ik nu dus pas op zaterdag 13 juni terug in België zal zijn?
… er enkele foto's online staan op picasaweb.google.be/mariekekusters?
zondag 10 mei 2009
Avontuur nummer 2: Bigi Pan
28 maart
Deze keer ging ik met een Vlaams gezelschap (zo’n 20 man) vanuit de Portugalstraat richting het noordoosten van het land: Bigi Pan. Dit is een groot meer gelegen in het district Nickerie. Na een lange busrit werden we in de vroege namiddag door Stefanie, een Javaanse vrouw, begeleid met een paar bootjes naar een huisje in het midden van het meer. Ja, beste lezer, u leest het goed: het was een huisje die op pootjes in het meer stond. Prachtig! Het is een groot maar ondiep meer, met wat eilandjes hier en daar en bossen aan de oevers.
Stefanie kookte zelf en we konden telkens lekker smullen. Over het hele weekend aten we typisch Javaans: loempia’s, bakabana’s, saoto-soep met ei, bami, satékes met pindasambal, petjel. Dat was erg lekker allemaal, natuurlijk. Marieke haar ogen zullen uitvallen als ze terug op de weegschaal zal staan. Alles is hier zo lekker en je kan niks laten liggen want je wil proeven en na al die proeverijen kan je er verder niet van af blijven! Dus schrik niet als je me ziet aankomen in het Vlaanderlandje met een dikke vetpens.
Maar ik wijk af. Met de bootjes voeren we ergens waar er veel vissen zwemmen. Stefanie en de andere mannen installeerden een net, waarvan ééntje dan met een stok hard op het water sloeg. De vissen zwommen recht in het net en Marieke waande zich even een vissersvrouw door mee te helpen om de vissen uit dat net te halen. Hoe doe je dat: je steekt je vinger in de mond, door de kieuw van de levende vis, en dan verder de draden lospeuteren. Nadien mocht Marieke meehelpen met de (scherpe!) vinnen weg te knippen en de schubben af te schrapen. Gek hoor, in het begin was ik er wat vies van en had ik medelijden met de vissen, omdat ze nog leefden. Maar na een tijdje was het precies de gewoonste zaak van de wereld en werd het zelfs een leuk klusje!
Onderweg naar het huisje sprongen we allemaal even in het water. Het water kwam maar tot aan je middel, maar je zakte tot bijna aan je knieën in de modder. Stefanie zei dat die drek goed is voor de huid en al gauw smeerden we ons er allemaal mee in, wat leidde tot een heus moddergevecht. Even wat doorzwemmen en waden in het water en de drek, genietend van de zonsondergang en dan weer terug in het bootje richting het huisje.
Die avond sprongen we allen weer in het bootje om kaaimannen te gaan spotten! En jahoor, we hebben er gezien. Eén van de mannen heeft er zelfs een gevangen, waarna we allemaal eens mochten voelen aan zijn huid.
Na wat gezellig keuvelen kroop ik moe maar goed gezind in de hangmat. Die nacht sliep ik wel lekker, alleen werd ik soms wakker omdat mijn buren soms tegen me stootten. De volgende ochtend hoorde ik van enkelen dat ze de platte kak hadden en even niet in de hangmat konden blijven liggen. En jahoor, dat gaf een kettingbotsing tot gevolg als er ene uit kruipt, want de hangmatten hingen allemaal dicht opeen, naast elkaar.
29 maart
Kort nadat het licht werd, kroop ik weer onder mijn klamboe uit, de frisse openlucht in. Het regende wat, maar de zonsopgang was nog bezig, dus dat was een prachtig gezicht. Na een lekker uitgebreid ontbijt mochten we eens in het water peddelen. Partner Elke en ik vormden een goed team door op het meer beurtelings te peddelen, eens in het water te springen om de ‘kajak’ voort te duwen of te zwemmen, als we het peddelen beu waren.
We hebben na terugkeer nog wat krabben gevangen, nadat ze werden klaargemaakt peuterden we zelf het vlees eruit om ze dan op te vreten. Nog wat genieten van het uitzicht en de zon met een boekje. Anderen lagen terug lekker in de hangmat te soezen. En toen was het alweer tijd om terug huiswaarts te keren, eerst te water en dan te land.
Dat was alweer een leuke trip, waar ik genoten heb van de natuur en van het gezelschap. Jammer genoeg had ik er wel moeite mee om in de groep te volgen, dan koos ik ervoor om gewoon te genieten van de dingen om mij heen. Maar toen begonnen toch mijn eerste mis-gevoelens te komen: ‘zat ik maar gewoon in Vlaanderen tussen mijn dove vrienden, waar ik op zulk een weekend gewoon tot een gat in de nacht zat te gebaren’. Toch ben ik voldaan thuisgekomen en mijn zacht bedje ingekropen.
Deze keer ging ik met een Vlaams gezelschap (zo’n 20 man) vanuit de Portugalstraat richting het noordoosten van het land: Bigi Pan. Dit is een groot meer gelegen in het district Nickerie. Na een lange busrit werden we in de vroege namiddag door Stefanie, een Javaanse vrouw, begeleid met een paar bootjes naar een huisje in het midden van het meer. Ja, beste lezer, u leest het goed: het was een huisje die op pootjes in het meer stond. Prachtig! Het is een groot maar ondiep meer, met wat eilandjes hier en daar en bossen aan de oevers.
Stefanie kookte zelf en we konden telkens lekker smullen. Over het hele weekend aten we typisch Javaans: loempia’s, bakabana’s, saoto-soep met ei, bami, satékes met pindasambal, petjel. Dat was erg lekker allemaal, natuurlijk. Marieke haar ogen zullen uitvallen als ze terug op de weegschaal zal staan. Alles is hier zo lekker en je kan niks laten liggen want je wil proeven en na al die proeverijen kan je er verder niet van af blijven! Dus schrik niet als je me ziet aankomen in het Vlaanderlandje met een dikke vetpens.
Maar ik wijk af. Met de bootjes voeren we ergens waar er veel vissen zwemmen. Stefanie en de andere mannen installeerden een net, waarvan ééntje dan met een stok hard op het water sloeg. De vissen zwommen recht in het net en Marieke waande zich even een vissersvrouw door mee te helpen om de vissen uit dat net te halen. Hoe doe je dat: je steekt je vinger in de mond, door de kieuw van de levende vis, en dan verder de draden lospeuteren. Nadien mocht Marieke meehelpen met de (scherpe!) vinnen weg te knippen en de schubben af te schrapen. Gek hoor, in het begin was ik er wat vies van en had ik medelijden met de vissen, omdat ze nog leefden. Maar na een tijdje was het precies de gewoonste zaak van de wereld en werd het zelfs een leuk klusje!
Onderweg naar het huisje sprongen we allemaal even in het water. Het water kwam maar tot aan je middel, maar je zakte tot bijna aan je knieën in de modder. Stefanie zei dat die drek goed is voor de huid en al gauw smeerden we ons er allemaal mee in, wat leidde tot een heus moddergevecht. Even wat doorzwemmen en waden in het water en de drek, genietend van de zonsondergang en dan weer terug in het bootje richting het huisje.
Die avond sprongen we allen weer in het bootje om kaaimannen te gaan spotten! En jahoor, we hebben er gezien. Eén van de mannen heeft er zelfs een gevangen, waarna we allemaal eens mochten voelen aan zijn huid.
Na wat gezellig keuvelen kroop ik moe maar goed gezind in de hangmat. Die nacht sliep ik wel lekker, alleen werd ik soms wakker omdat mijn buren soms tegen me stootten. De volgende ochtend hoorde ik van enkelen dat ze de platte kak hadden en even niet in de hangmat konden blijven liggen. En jahoor, dat gaf een kettingbotsing tot gevolg als er ene uit kruipt, want de hangmatten hingen allemaal dicht opeen, naast elkaar.
29 maart
Kort nadat het licht werd, kroop ik weer onder mijn klamboe uit, de frisse openlucht in. Het regende wat, maar de zonsopgang was nog bezig, dus dat was een prachtig gezicht. Na een lekker uitgebreid ontbijt mochten we eens in het water peddelen. Partner Elke en ik vormden een goed team door op het meer beurtelings te peddelen, eens in het water te springen om de ‘kajak’ voort te duwen of te zwemmen, als we het peddelen beu waren.
We hebben na terugkeer nog wat krabben gevangen, nadat ze werden klaargemaakt peuterden we zelf het vlees eruit om ze dan op te vreten. Nog wat genieten van het uitzicht en de zon met een boekje. Anderen lagen terug lekker in de hangmat te soezen. En toen was het alweer tijd om terug huiswaarts te keren, eerst te water en dan te land.
Dat was alweer een leuke trip, waar ik genoten heb van de natuur en van het gezelschap. Jammer genoeg had ik er wel moeite mee om in de groep te volgen, dan koos ik ervoor om gewoon te genieten van de dingen om mij heen. Maar toen begonnen toch mijn eerste mis-gevoelens te komen: ‘zat ik maar gewoon in Vlaanderen tussen mijn dove vrienden, waar ik op zulk een weekend gewoon tot een gat in de nacht zat te gebaren’. Toch ben ik voldaan thuisgekomen en mijn zacht bedje ingekropen.
Subh Holi!
10 maart: Holika brandt!
Vandaag mochten de kinderen al naar huis, mijn dienst zat er al vroeg op. Morgen is een vrije dag, ter gelegenheid van Holi Phagwa, een Hindoestaans Nieuwjaarsfeest. ’s Avonds nam Henk me mee naar een Holika-brand op de Kwattaweg. Altijd op de avond voor Holi Phagwa wordt er een groot vuur aangestoken om al het kwade van het afgelopen jaar te verbranden, om dan met een nieuwe en bloeiende start het jaar in te stappen. Gelukkig ging het door, ondanks de regen. Het was een indrukwekkende verbranding. Met Henk en een bakra-gezelschap mochten na de verbranding gratis meesmullen en meedrinken. Nadien was er een vertelling over de betekenis achter de naam Holi Phagwa, en een optreden van dansende Hindoestanen (wat volgens de Vlaamse meisjes op niet veel trok). En toen was het tijd om naar huis te gaan…
11 maart: kleuren en geuren alom.
Op Holi Phagwa zelf feliciteren de mensen elkaar door elkaar te besproeien met parfum en te bestrooien met geurige en kleurige poeders, en zeggen: ‘Subh Holi!’. Bij Evelien en Marie thuis kon ik mee de sfeer van Phagwa opsnuiven, waar hun Hindoestaanse ‘mama’ en ‘papa’ bezoek kreeg van familie en buren. We mochten natuurlijk ook alweer meegenieten van de heerlijke barra’s en andere Hindoestaanse specialiteiten.
In de stad waren er ook verschillende plekken waar iedereen samen ‘speelde’, dus met poeders en kleurstoffen elkaar helemaal kleurrijk en geurrijk maken. Op die plekken kwamen dan ook de meeste bakra's, maar door het slechte weer was er veel afgelast... Jammer! Het Hindoestaanse Nieuwjaar komt ook een beetje overeen met het begin van de lente, daarom die verschillende kleuren en geuren. Blonde stagiaires krijgen de kleur niet meer uit hun haren, en moeten dan maandenlang met een ongewild kleurig kapsel rondlopen. Een Vlaams meisje zag er als een barbiepop uit omdat haar blonde lokken roze werden!
Ondanks het feit dat Holi Phagwa een Hindoestaanse aangelegenheid is, zie je hier en daar ook een bakra, een Javaan, een indiaan of een creool de gelegenheid meevieren. Zelfs bij de Chinees zijn de poeders en kleurstoffen te koop! Op het internaat werd er een namiddag geweid aan Holi Phagwa door wat uitleg over de gelegenheid, spelen met poeders en kleurstoffen en nadien Hindoestaans gesmul. Het is wel mooi om te zien dat er plaats is voor de feestdagen van de verschillende culturen. Ook op de school en het internaat wordt er ruimte gemaakt om er kennis mee te maken.
Vandaag mochten de kinderen al naar huis, mijn dienst zat er al vroeg op. Morgen is een vrije dag, ter gelegenheid van Holi Phagwa, een Hindoestaans Nieuwjaarsfeest. ’s Avonds nam Henk me mee naar een Holika-brand op de Kwattaweg. Altijd op de avond voor Holi Phagwa wordt er een groot vuur aangestoken om al het kwade van het afgelopen jaar te verbranden, om dan met een nieuwe en bloeiende start het jaar in te stappen. Gelukkig ging het door, ondanks de regen. Het was een indrukwekkende verbranding. Met Henk en een bakra-gezelschap mochten na de verbranding gratis meesmullen en meedrinken. Nadien was er een vertelling over de betekenis achter de naam Holi Phagwa, en een optreden van dansende Hindoestanen (wat volgens de Vlaamse meisjes op niet veel trok). En toen was het tijd om naar huis te gaan…
11 maart: kleuren en geuren alom.
Op Holi Phagwa zelf feliciteren de mensen elkaar door elkaar te besproeien met parfum en te bestrooien met geurige en kleurige poeders, en zeggen: ‘Subh Holi!’. Bij Evelien en Marie thuis kon ik mee de sfeer van Phagwa opsnuiven, waar hun Hindoestaanse ‘mama’ en ‘papa’ bezoek kreeg van familie en buren. We mochten natuurlijk ook alweer meegenieten van de heerlijke barra’s en andere Hindoestaanse specialiteiten.
In de stad waren er ook verschillende plekken waar iedereen samen ‘speelde’, dus met poeders en kleurstoffen elkaar helemaal kleurrijk en geurrijk maken. Op die plekken kwamen dan ook de meeste bakra's, maar door het slechte weer was er veel afgelast... Jammer! Het Hindoestaanse Nieuwjaar komt ook een beetje overeen met het begin van de lente, daarom die verschillende kleuren en geuren. Blonde stagiaires krijgen de kleur niet meer uit hun haren, en moeten dan maandenlang met een ongewild kleurig kapsel rondlopen. Een Vlaams meisje zag er als een barbiepop uit omdat haar blonde lokken roze werden!
Ondanks het feit dat Holi Phagwa een Hindoestaanse aangelegenheid is, zie je hier en daar ook een bakra, een Javaan, een indiaan of een creool de gelegenheid meevieren. Zelfs bij de Chinees zijn de poeders en kleurstoffen te koop! Op het internaat werd er een namiddag geweid aan Holi Phagwa door wat uitleg over de gelegenheid, spelen met poeders en kleurstoffen en nadien Hindoestaans gesmul. Het is wel mooi om te zien dat er plaats is voor de feestdagen van de verschillende culturen. Ook op de school en het internaat wordt er ruimte gemaakt om er kennis mee te maken.
donderdag 12 maart 2009
Avontuur nummer 1: Brownsberg
Intussen heb ik eindelijk mijn eerste trip naar het binnenland gemaakt! Vorige week nam ik eens een taxi van beroemde Jeffrey (betrouwbaar taxibedrijfje die vooral door blanke stagiaires wordt benuttigd), en chauffeur Amir pikte mij op. Na een gezellig babbeltje in de auto vroeg hij me of ik misschien niet mee wou naar Brownsberg, samen met een groepje Nederlandse meisjes. Er was nog één plaatsje vrij, en goedkoop! Het tweedaagse tripje werd dan ook door Amir zelf georganiseerd: als chauffeur, gids en kok in één persoon. Ik hapte dus al gauw toe.
Vorige week dinsdag had ik dus de buikgriep/darmontsteking te pakken, die al beter werd donderdag en vrijdag, maar die zaterdagmorgen weer de kop opstak met een stinkend hoopje in de wc. Met twijfels tot gevolg of ik nog wel mee zou gaan op trip, die deze bewuste ochtend van start zou gaan. Urenlang in een hobbelig busje zitten met rommelende darmen leek mij niet zo gezellig. Amir overtuigde me om toch mee te gaan en beweerde dat het wel snel over zal gaan. Ik propte dan ook mijn rugzak vol pillen voor het geval dat de schijt zich nog eens zou opdringen.
Na een korte kennismaking met het zeskoppig gezelschap uit Nederland, vertrokken we in een huurbusje richting Brownsberg. Onderweg werd de sfeer erin gehouden met wat muziek, vrolijk (maar blijkbaar vals) gezang, mottige regen en een frisse airco. De befaamde ‘rode weg’ (bauxietweg die stad en binnenland met elkaar in verbinding brengt) bleek dan toch minder hobbelig dan ik had verwacht. Maar toen we de berg op reden, zaten we vast, tot tweemaal toe. De eerste keer kon Amir zich eruit rijden, mits een aanloop, maar de tweede keer konden we onszelf niet redden en hadden we hulp nodig. Samen met nog een ander meisje paste ik op de bus, terwijl de rest naar boven wandelde om hulp te zoeken. Met een jeep en sleeptouw werd het busje heldhaftig uit de modder gesleept, waarna deze heel’huids’ tot boven is geraakt.
De rest van de dag hebben we doorgebracht door een verkenning van het domein, foto’s trekken van het mooie uitzicht over het Brokopondomeer, wat koken, eten, en de avond vertoefden we in de bar. Het was er erg gezellig, ook de andere blonde bakra’s die volgens mijn reisgenootjes het stereotiep van de Nederlanders bevestigde, lieten onze avond niet verpesten. Het grappige is dat zij zelf Nederlanders zijn, en we plaagden elkaar met elkaars stereotiepen zoals ‘domme Belg’ en ‘gierige Hollander’, en we mogen niet spreken van ‘patat’ of ‘Vlaamse frieten’ maar van ‘Belgische frieten’.
Het plan was om in hangmatten te slapen onder zo’n soort van afdak waar je met hangmatten kan slapen. Marieke heeft zich dan ook een hangmat aangeschaft, met een muskietennet erbij. Uiteindelijk kregen we toch een huisje met bedden ter beschikking, waar de meiden eerst niet in wilden slapen, omdat ze door hun Nederlandse bovenburen in Paramaribo werden warm gemaakt dat die vol vlooien en vleermuizenpoep zou zitten. Uiteindelijk hebben we toch in de bedden geslapen, met de hangmatten als ‘bedovertrekken’, want die avond waren we moe en te lui om ze nog allemaal op te hangen. En maar goed, want de volgende ochtend bleek het buiten erg vochtig, en we zouden alleen maar koud gehad hebben en misschien ziek geworden zijn.
De volgende dag startte met een nieuw stinkend hoopje, die ik eruit heb geduwd in de openbare toiletten, want ik wou het huisje niet opvullen met dat heerlijk geurtje. Vervelend detail: de wc kon niet doorspoelen omdat er nergens water meer uitkwam (dus ook niet uit de kraan). Dan maar een emmer uit de regenton bij ons huis geschept om toch die viezigheid weg te spoelen. Na een heerlijk en uitgebreid ontbijt, klaargemaakt door de kok van dienst, Amir, vertrokken we naar de Irenevallen, geleid door de gids van dienst, Amir. Het was een prachtige, avontuurlijke en indrukwekkende tocht door de jungle met imposante wortelgedrochten, metershoge bomen en glijdende voeten over de modder. Ontdekte dieren: sprinkhanen, brulapen, brulkikkers, raven, rode reuzemieren en Hollanders. De sprinkhanen, brulapen en raven heb ik niet gezien, maar wel gehoord. Het is best een raar gevoel dat ik als dove die geluiden ook kan ontdekken en zelf ook indrukwekkend kan vinden. Hmm.. Toppunt: Marieke waande zich als Jane van Tarzan door eens door de lucht te zwieren met een liaan, waarbij ze bijna tegen een boom knalde, maar nog net op tijd gered werd door Amir, held van dienst.
De Ireneval was een waterval in een mooie open plek, waarvan we de natte frisheid ook hebben ervaren door er in bikini lekker onder te gaan staan. Bij onze terugkeer naar boven, reet de lucht weer open om een tropische stortbui op dit stukje op de aardbol te laten vallen. Hierbij versterkten twijfels van onze chauffeur van dienst, Amir, of we wel terug zouden rijden. De weg is namelijk gevaarlijk en de dag ervoor was het al glad door de nattigheid. Na wat overleggen met het volkje op Brownsberg werd er besloten dat Amir alleen naar beneden zou rijden met het busje. Wij mochten met z’n zevenen mee in de jeep van een zekere Rocky met een plastiek zakje op zijn hoofd, tot we beneden waren. Na over te stappen in het busje, vertrokken we weer richting Paramaribo. En deze keer was de weg wel een heel pak hobbeliger en saaier, want we waren moe en het werd stilaan donker… Bij aankomst in Paramaribo werd ik na het samen oppeuzelen van friet/patat thuis gebracht, waar mijn bedje me stond op te wachten… Slaapwel.
Vorige week dinsdag had ik dus de buikgriep/darmontsteking te pakken, die al beter werd donderdag en vrijdag, maar die zaterdagmorgen weer de kop opstak met een stinkend hoopje in de wc. Met twijfels tot gevolg of ik nog wel mee zou gaan op trip, die deze bewuste ochtend van start zou gaan. Urenlang in een hobbelig busje zitten met rommelende darmen leek mij niet zo gezellig. Amir overtuigde me om toch mee te gaan en beweerde dat het wel snel over zal gaan. Ik propte dan ook mijn rugzak vol pillen voor het geval dat de schijt zich nog eens zou opdringen.
Na een korte kennismaking met het zeskoppig gezelschap uit Nederland, vertrokken we in een huurbusje richting Brownsberg. Onderweg werd de sfeer erin gehouden met wat muziek, vrolijk (maar blijkbaar vals) gezang, mottige regen en een frisse airco. De befaamde ‘rode weg’ (bauxietweg die stad en binnenland met elkaar in verbinding brengt) bleek dan toch minder hobbelig dan ik had verwacht. Maar toen we de berg op reden, zaten we vast, tot tweemaal toe. De eerste keer kon Amir zich eruit rijden, mits een aanloop, maar de tweede keer konden we onszelf niet redden en hadden we hulp nodig. Samen met nog een ander meisje paste ik op de bus, terwijl de rest naar boven wandelde om hulp te zoeken. Met een jeep en sleeptouw werd het busje heldhaftig uit de modder gesleept, waarna deze heel’huids’ tot boven is geraakt.
De rest van de dag hebben we doorgebracht door een verkenning van het domein, foto’s trekken van het mooie uitzicht over het Brokopondomeer, wat koken, eten, en de avond vertoefden we in de bar. Het was er erg gezellig, ook de andere blonde bakra’s die volgens mijn reisgenootjes het stereotiep van de Nederlanders bevestigde, lieten onze avond niet verpesten. Het grappige is dat zij zelf Nederlanders zijn, en we plaagden elkaar met elkaars stereotiepen zoals ‘domme Belg’ en ‘gierige Hollander’, en we mogen niet spreken van ‘patat’ of ‘Vlaamse frieten’ maar van ‘Belgische frieten’.
Het plan was om in hangmatten te slapen onder zo’n soort van afdak waar je met hangmatten kan slapen. Marieke heeft zich dan ook een hangmat aangeschaft, met een muskietennet erbij. Uiteindelijk kregen we toch een huisje met bedden ter beschikking, waar de meiden eerst niet in wilden slapen, omdat ze door hun Nederlandse bovenburen in Paramaribo werden warm gemaakt dat die vol vlooien en vleermuizenpoep zou zitten. Uiteindelijk hebben we toch in de bedden geslapen, met de hangmatten als ‘bedovertrekken’, want die avond waren we moe en te lui om ze nog allemaal op te hangen. En maar goed, want de volgende ochtend bleek het buiten erg vochtig, en we zouden alleen maar koud gehad hebben en misschien ziek geworden zijn.
De volgende dag startte met een nieuw stinkend hoopje, die ik eruit heb geduwd in de openbare toiletten, want ik wou het huisje niet opvullen met dat heerlijk geurtje. Vervelend detail: de wc kon niet doorspoelen omdat er nergens water meer uitkwam (dus ook niet uit de kraan). Dan maar een emmer uit de regenton bij ons huis geschept om toch die viezigheid weg te spoelen. Na een heerlijk en uitgebreid ontbijt, klaargemaakt door de kok van dienst, Amir, vertrokken we naar de Irenevallen, geleid door de gids van dienst, Amir. Het was een prachtige, avontuurlijke en indrukwekkende tocht door de jungle met imposante wortelgedrochten, metershoge bomen en glijdende voeten over de modder. Ontdekte dieren: sprinkhanen, brulapen, brulkikkers, raven, rode reuzemieren en Hollanders. De sprinkhanen, brulapen en raven heb ik niet gezien, maar wel gehoord. Het is best een raar gevoel dat ik als dove die geluiden ook kan ontdekken en zelf ook indrukwekkend kan vinden. Hmm.. Toppunt: Marieke waande zich als Jane van Tarzan door eens door de lucht te zwieren met een liaan, waarbij ze bijna tegen een boom knalde, maar nog net op tijd gered werd door Amir, held van dienst.
De Ireneval was een waterval in een mooie open plek, waarvan we de natte frisheid ook hebben ervaren door er in bikini lekker onder te gaan staan. Bij onze terugkeer naar boven, reet de lucht weer open om een tropische stortbui op dit stukje op de aardbol te laten vallen. Hierbij versterkten twijfels van onze chauffeur van dienst, Amir, of we wel terug zouden rijden. De weg is namelijk gevaarlijk en de dag ervoor was het al glad door de nattigheid. Na wat overleggen met het volkje op Brownsberg werd er besloten dat Amir alleen naar beneden zou rijden met het busje. Wij mochten met z’n zevenen mee in de jeep van een zekere Rocky met een plastiek zakje op zijn hoofd, tot we beneden waren. Na over te stappen in het busje, vertrokken we weer richting Paramaribo. En deze keer was de weg wel een heel pak hobbeliger en saaier, want we waren moe en het werd stilaan donker… Bij aankomst in Paramaribo werd ik na het samen oppeuzelen van friet/patat thuis gebracht, waar mijn bedje me stond op te wachten… Slaapwel.
donderdag 5 maart 2009
De Surinaamse Dovengemeenschap
De Surinaamse Dovengemeenschap is niet zo groot. De meeste doven zitten op de Kennedyschool of hebben er gezeten. Als dove integreren in het gewone onderwijs bestaat hier niet. Ook als ze van school af zijn blijven de meesten elkaar ontmoeten op de activiteiten van Sudobe (Stichting Surinaamse Doven Belangen), op de voetbaltrainingen van dinsdagavond en zaterdagavond of ze spreken met elkaar persoonlijk af. Iedereen kent wel SGT, al verschillen de gebaren eigenlijk wel van generatie tot generatie. SGT lijkt wel op VGT: veel gebaren zijn hetzelfde of lijken op elkaar. Ik heb wel gemerkt dat de SGT niet zo’n brede lexicon heeft, misschien omdat de doven hier niet zo hoog geschoold zijn en dus ook niet zoveel begrippen kennen. Echt opgeleide tolken kennen ze hier niet, maar vooral mevrouw Rosita en mevrouw Astrid nemen dat op zich: zij kennen de taal wel en ze hebben ook een verkorte opleiding gevolgd in Nederland vorig jaar.
De doven zijn hier laaggeschoold, kennen maar heel gebrekkig Nederlands en sommigen verdienen maar weinig. Anderen hebben eigenlijk goed werk zoals bij de bank, zo’n soort van assistent-achtig werk: brieven in ontvangst nemen, kopiëren, enz. Weer anderen doen handenarbeid (houtbewerking, en ik heb ook twee doven op de markt gezien.
Sudobe is een soort van belangengroep, met de bedoeling een soort van Dovenschap (Nederland) of Fevlado (Vlaanderen) te zijn. Sudobe bestaat nog maar een jaar, vroeger was er Saamhorig. Bij Saamhorig waren er enkele doven in het bestuur, met een frater (horend) als voorzitter. Saamhorig zocht naar werk voor doven en had een communicatiebemiddelingsfunctie. Toen er bezoek kwam van doven uit Nederland, zeiden ze dat de doven het best zelf kunnen en de frater stapte uit het bestuur. En ja hoor, zo gezegd, zo gedaan: Henk is voorzitter van Sudobe, er zijn nog 5 of 6 andere dove bestuursleden. Ze worden sterk ondersteund door Rosita, Astrid, een adviseur (een ex-directrice van de Kennedyschool), de Nederlanders en op dit moment ook door mij. Ze moeten nog veel leren maar ze zijn eigenlijk erg goed op weg.
Hmm.. Meer weet ik eigenlijk niet te vertellen.
De doven zijn hier laaggeschoold, kennen maar heel gebrekkig Nederlands en sommigen verdienen maar weinig. Anderen hebben eigenlijk goed werk zoals bij de bank, zo’n soort van assistent-achtig werk: brieven in ontvangst nemen, kopiëren, enz. Weer anderen doen handenarbeid (houtbewerking, en ik heb ook twee doven op de markt gezien.
Sudobe is een soort van belangengroep, met de bedoeling een soort van Dovenschap (Nederland) of Fevlado (Vlaanderen) te zijn. Sudobe bestaat nog maar een jaar, vroeger was er Saamhorig. Bij Saamhorig waren er enkele doven in het bestuur, met een frater (horend) als voorzitter. Saamhorig zocht naar werk voor doven en had een communicatiebemiddelingsfunctie. Toen er bezoek kwam van doven uit Nederland, zeiden ze dat de doven het best zelf kunnen en de frater stapte uit het bestuur. En ja hoor, zo gezegd, zo gedaan: Henk is voorzitter van Sudobe, er zijn nog 5 of 6 andere dove bestuursleden. Ze worden sterk ondersteund door Rosita, Astrid, een adviseur (een ex-directrice van de Kennedyschool), de Nederlanders en op dit moment ook door mij. Ze moeten nog veel leren maar ze zijn eigenlijk erg goed op weg.
Hmm.. Meer weet ik eigenlijk niet te vertellen.
Het internaatsleven op de Kennedystichting
Bij deze doe ik een poging om jullie een beeld te geven over mijn stage, het internaatsleven, de kinderen.
Op de Kennedyschool zitten er in totaal ongeveer 60 kinderen, op het internaat zo’n 30. In mijn groep: TwaTwa, zitten 10 jongens van 6 tot 10 jaar. Er zitten creolen, Hindoestanen, een Javaan en een indiaan. Mijn collega’s zijn juffrouw Sherida (doof) en juffrouw Lydia (horend). Ja, de kinderen noemen de opvoedsters (of groepswerksters, op z’n Surinaams gezegd) ‘juffrouw’. Het lijkt erop dat zowat alle doven de Surinaamse Gebarentaal (SGT) als eerste taal hebben, en de groepswerksters kennen het ook. De communicatie tussen de dove kinderen en tussen de kinderen en de juffen gaat eigenlijk erg goed. De omgangstaal tussen doven is dus ook hoofdzakelijk SGT, wat wel verschilt met Vlaanderen. Daar kan niet elk doof kind VGT (Vlaamse Gebarentaal), en zeker niet alle opvoedsters. Ook de Dovencultuur ‘leeft’ hier echt, met onder andere zijn manieren van aandacht trekken, iets wat sommige dove kinderen in Vlaanderen niet kennen.
Ik heb de indruk dat de kinderen graag op het internaat zijn, hier gelukkig zijn en er lijkt ook een goede band te zijn tussen de kinderen en de groepswerksters. Mevrouw Rosita, het internaatshoofd is ook erg betrokken bij het internaatsgebeuren en communiceert erg veel met de opvoedsters. Zelfs de kinderen hebben haar graag!
De kinderen gaan in de voormiddag naar school van 8u00 tot 12u30. ’s Middags komen ze naar het internaat, kleden zich om (op school dragen ze een uniform) en eten samen. Daarna volgt meestal het huiswerk en is het wat vrij spelen. Op maandag hebben ze eigenlijk de hele namiddag vrij, dinsdag zwemmen, woensdag sporten (op een sportterrein), donderdag tekenen (tekenles op een andere plaats door externen) en vrijdag worden ze ’s middags opgehaald door hun (pleeg)ouders. Of de opvoeders echt dingen doen met de kinderen? Dat zie ik eigenlijk erg weinig. De kinderen spelen vaak zelf, kunnen zich perfect bezighouden, zijn creatief met wat ze hebben. Ze doen bijvoorbeeld één inline skate aan om mee te roetsjen alsof het een skateboard is, ook heb ik een jongetje met zo’n ding zien spelen alsof het een autootje was. Veel speelgoed wordt toegestuurd vanuit Nederland als gift, maar de kinderen zijn er jammer genoeg erg onvoorzichtig mee, met als gevolg dat veel speelgoed gewoon kapot gaat. Na de activiteit gaan de kinderen meestal ‘baden’ en dan eten, rustig moment voor de televisie en dan bedje in.
Het lijkt ernaar dat de groepswerksters hun taak zien als niet meer dan: op de kinderen letten, orde handhaven, zorgen dat ze goed eten, leren en slapen. Maar de taak van een opvoedster is veel breder: een opvoeder organiseert ook activiteiten, praat met de kinderen, leert ze wat bij over het dagelijkse leven, doet dingen samen met de kinderen, noem maar op. Mevrouw Rosita weet dit wel, maar het lijkt niet door te dringen bij de groepswerksters van het internaat.
Aan mevrouw Rosita heb ik voorgesteld of ik misschien geen activiteitenmap in elkaar kon steken voor de groepswerksters, zodat ze op maandagnamiddag gemakkelijk aan de slag kunnen met een spel of een activiteit. Op die manier probeer ik te stimuleren om iets leuks te doen met de kinderen: iets knutselen, een klein uitstapje (wandeling, naar de stad, naar de markt), een spel doen, enz. Al is zeer de vraag of ze het nog echt zullen gebruiken als ik weg ben, maar ook Lydia zei dat het een goed idee is en dat ze dat wel wil gebruiken. Afwachten dus..
Hier en daar hoor ik ook vaak dat stagiaires komen en gaan, dingen op poten zetten maar die na een tijdje alweer verwateren. Mevrouw Rosita zegt ook dat de wil bij de groepswerksters vaak ontbreekt, want zij zegt telkens dingen als: ‘doe iets met de kinderen’, ‘maak eens een uitstapje’, dat zegt ze vaak genoeg. Ze weet niet goed wat ze ermee aan moet: moet ze met sancties werken? Ontslaan zal niet gaan, want als ze er eentje ontslaat, zal ze geen nieuwe opvoedster krijgen, en de groepswerksters weten dat. Zou dat de reden zijn waarom ze niet echt doen wat mevrouw Rosita zegt? Zou dat de reden zijn waarom ze zo passief zijn? De cultuur is hier ook wel anders, daar heeft het ook mee te maken, maar als hun bazin zo achter ze aan zit, waarom schieten ze dan niet in actie?
Wat me ook wel deed schrikken is het erg lage niveau van het Nederlands van de kinderen. Ze begrijpen niet wat ze lezen of schrijven. Vaak kopiëren ze wat en leren ze van buiten. De groepswerksters weten dat, ze zien dat ook, maar ze vinden het de taak van de school om zich daarmee bezig te houden. Zij willen hen wel begeleiden bij het huiswerk, maar daar stopt het ook. Sherida heeft wel eens woordjes geoefend met de jongens, dat was erg leuk om te zien, en de kinderen genoten er precies ook van. Ze zijn erg leergierig, en ik zie ze constant woordjes spellen. Af en toe moet ik ze wel eens verbeteren, maar verder probeer ik ze te stimuleren om met elkaar de woordjes te oefenen. Ik ging eens mee kinderen ophalen met de bus op maandagochtend en één van de jongens (11 jaar) spelde het woordje ‘drempel’ tegen een andere jongen. Toen dacht ik: wat een moeilijk woordje voor iemand die maar Nederlands kan van een horend kind van het eerste leerjaar, waar heeft hij dat vandaan? De andere jongen draaide zich weg, maar ik vroeg aan hem wat het betekende. Hij wist het niet, en toen vroeg ik het aan de jongen die het woord spelde. Ik dacht dat hij het niet zou weten, want vaak spellen de kinderen ‘zomaar’ wat ze zien en leren ze het van buiten zonder de betekenis ervan te kennen, maar hij wist het! Toen besefte ik dat hij het op straat gezien had: een verkeersdrempel in de straten van Suriname wordt aangeduid met een bordje met ‘drempel’. 'Goh, dit is fantastisch', dacht ik, 'ik hoop dat de kinderen dat vaak doen!' Ze kunnen op die manier echt wel van elkaar leren.
Kunnen spreken is op de Kennedyschool blijkbaar belangrijk. Sommige kinderen (niet van mijn groep) praten tegen mij, in plaats van te gebaren. Ze zeggen dan: ‘ik kan praten, kijk maar’, al versta ik ze erg moeilijk. Ik vraag ze dan ook om te gebaren in plaats van te praten, omdat ik ze dan veel beter begrijp. Sherida heeft ook eens tegen een jongen gezegd dat hij niet goed kan praten, hij leek een beetje beschaamd, maar toonde het niet, en probeerde alsnog wat uit te spreken. Toen zei ik: ‘praten kan je oefenen, maar dat is niet zo gemakkelijk omdat je doof bent, Nederlands leren is belangrijker. Als je naar de winkel gaat, kan je misschien niet zeggen wat je wil, maar je kan wel op een papier schrijven wat je nodig hebt. Daarom moet je goed Nederlands oefenen en veel lezen en leren, dat is goed voor later.’ Blijkbaar was dat iets nieuw voor hem, want hij trok zo’n gezicht van ‘Oh god, daar had ik nog niet aan gedacht!’. Hmm..
Sherida is een rolmodel voor de kinderen! Zij begrijpt hen het beste van alle opvoedsters en ook kinderen van andere groepen komen wel eens naar haar toe. Soms vertaalt ze eens voor een andere opvoeder wat een kind zegt, want de horende opvoeders begrijpen de kinderen niet altijd helemaal. Ze doet haar werk eigenlijk heel erg goed, en ik werk graag met haar samen. Van haar leer ik elke dag wel een Surinaams gebaar bij, en ook ik kan haar wat bieden want ze heeft nooit een opleiding gevolgd voor opvoedster (alle doven gaan naar de dovenschool en daar hebben ze die opleiding niet).
Mijn plannen op het internaat ga ik nog niet allemaal blootgeven, want het is nu allemaal nog abstract. Pas als ze echt op punt staan, zal ik ze posten.
Op de Kennedyschool zitten er in totaal ongeveer 60 kinderen, op het internaat zo’n 30. In mijn groep: TwaTwa, zitten 10 jongens van 6 tot 10 jaar. Er zitten creolen, Hindoestanen, een Javaan en een indiaan. Mijn collega’s zijn juffrouw Sherida (doof) en juffrouw Lydia (horend). Ja, de kinderen noemen de opvoedsters (of groepswerksters, op z’n Surinaams gezegd) ‘juffrouw’. Het lijkt erop dat zowat alle doven de Surinaamse Gebarentaal (SGT) als eerste taal hebben, en de groepswerksters kennen het ook. De communicatie tussen de dove kinderen en tussen de kinderen en de juffen gaat eigenlijk erg goed. De omgangstaal tussen doven is dus ook hoofdzakelijk SGT, wat wel verschilt met Vlaanderen. Daar kan niet elk doof kind VGT (Vlaamse Gebarentaal), en zeker niet alle opvoedsters. Ook de Dovencultuur ‘leeft’ hier echt, met onder andere zijn manieren van aandacht trekken, iets wat sommige dove kinderen in Vlaanderen niet kennen.
Ik heb de indruk dat de kinderen graag op het internaat zijn, hier gelukkig zijn en er lijkt ook een goede band te zijn tussen de kinderen en de groepswerksters. Mevrouw Rosita, het internaatshoofd is ook erg betrokken bij het internaatsgebeuren en communiceert erg veel met de opvoedsters. Zelfs de kinderen hebben haar graag!
De kinderen gaan in de voormiddag naar school van 8u00 tot 12u30. ’s Middags komen ze naar het internaat, kleden zich om (op school dragen ze een uniform) en eten samen. Daarna volgt meestal het huiswerk en is het wat vrij spelen. Op maandag hebben ze eigenlijk de hele namiddag vrij, dinsdag zwemmen, woensdag sporten (op een sportterrein), donderdag tekenen (tekenles op een andere plaats door externen) en vrijdag worden ze ’s middags opgehaald door hun (pleeg)ouders. Of de opvoeders echt dingen doen met de kinderen? Dat zie ik eigenlijk erg weinig. De kinderen spelen vaak zelf, kunnen zich perfect bezighouden, zijn creatief met wat ze hebben. Ze doen bijvoorbeeld één inline skate aan om mee te roetsjen alsof het een skateboard is, ook heb ik een jongetje met zo’n ding zien spelen alsof het een autootje was. Veel speelgoed wordt toegestuurd vanuit Nederland als gift, maar de kinderen zijn er jammer genoeg erg onvoorzichtig mee, met als gevolg dat veel speelgoed gewoon kapot gaat. Na de activiteit gaan de kinderen meestal ‘baden’ en dan eten, rustig moment voor de televisie en dan bedje in.
Het lijkt ernaar dat de groepswerksters hun taak zien als niet meer dan: op de kinderen letten, orde handhaven, zorgen dat ze goed eten, leren en slapen. Maar de taak van een opvoedster is veel breder: een opvoeder organiseert ook activiteiten, praat met de kinderen, leert ze wat bij over het dagelijkse leven, doet dingen samen met de kinderen, noem maar op. Mevrouw Rosita weet dit wel, maar het lijkt niet door te dringen bij de groepswerksters van het internaat.
Aan mevrouw Rosita heb ik voorgesteld of ik misschien geen activiteitenmap in elkaar kon steken voor de groepswerksters, zodat ze op maandagnamiddag gemakkelijk aan de slag kunnen met een spel of een activiteit. Op die manier probeer ik te stimuleren om iets leuks te doen met de kinderen: iets knutselen, een klein uitstapje (wandeling, naar de stad, naar de markt), een spel doen, enz. Al is zeer de vraag of ze het nog echt zullen gebruiken als ik weg ben, maar ook Lydia zei dat het een goed idee is en dat ze dat wel wil gebruiken. Afwachten dus..
Hier en daar hoor ik ook vaak dat stagiaires komen en gaan, dingen op poten zetten maar die na een tijdje alweer verwateren. Mevrouw Rosita zegt ook dat de wil bij de groepswerksters vaak ontbreekt, want zij zegt telkens dingen als: ‘doe iets met de kinderen’, ‘maak eens een uitstapje’, dat zegt ze vaak genoeg. Ze weet niet goed wat ze ermee aan moet: moet ze met sancties werken? Ontslaan zal niet gaan, want als ze er eentje ontslaat, zal ze geen nieuwe opvoedster krijgen, en de groepswerksters weten dat. Zou dat de reden zijn waarom ze niet echt doen wat mevrouw Rosita zegt? Zou dat de reden zijn waarom ze zo passief zijn? De cultuur is hier ook wel anders, daar heeft het ook mee te maken, maar als hun bazin zo achter ze aan zit, waarom schieten ze dan niet in actie?
Wat me ook wel deed schrikken is het erg lage niveau van het Nederlands van de kinderen. Ze begrijpen niet wat ze lezen of schrijven. Vaak kopiëren ze wat en leren ze van buiten. De groepswerksters weten dat, ze zien dat ook, maar ze vinden het de taak van de school om zich daarmee bezig te houden. Zij willen hen wel begeleiden bij het huiswerk, maar daar stopt het ook. Sherida heeft wel eens woordjes geoefend met de jongens, dat was erg leuk om te zien, en de kinderen genoten er precies ook van. Ze zijn erg leergierig, en ik zie ze constant woordjes spellen. Af en toe moet ik ze wel eens verbeteren, maar verder probeer ik ze te stimuleren om met elkaar de woordjes te oefenen. Ik ging eens mee kinderen ophalen met de bus op maandagochtend en één van de jongens (11 jaar) spelde het woordje ‘drempel’ tegen een andere jongen. Toen dacht ik: wat een moeilijk woordje voor iemand die maar Nederlands kan van een horend kind van het eerste leerjaar, waar heeft hij dat vandaan? De andere jongen draaide zich weg, maar ik vroeg aan hem wat het betekende. Hij wist het niet, en toen vroeg ik het aan de jongen die het woord spelde. Ik dacht dat hij het niet zou weten, want vaak spellen de kinderen ‘zomaar’ wat ze zien en leren ze het van buiten zonder de betekenis ervan te kennen, maar hij wist het! Toen besefte ik dat hij het op straat gezien had: een verkeersdrempel in de straten van Suriname wordt aangeduid met een bordje met ‘drempel’. 'Goh, dit is fantastisch', dacht ik, 'ik hoop dat de kinderen dat vaak doen!' Ze kunnen op die manier echt wel van elkaar leren.
Kunnen spreken is op de Kennedyschool blijkbaar belangrijk. Sommige kinderen (niet van mijn groep) praten tegen mij, in plaats van te gebaren. Ze zeggen dan: ‘ik kan praten, kijk maar’, al versta ik ze erg moeilijk. Ik vraag ze dan ook om te gebaren in plaats van te praten, omdat ik ze dan veel beter begrijp. Sherida heeft ook eens tegen een jongen gezegd dat hij niet goed kan praten, hij leek een beetje beschaamd, maar toonde het niet, en probeerde alsnog wat uit te spreken. Toen zei ik: ‘praten kan je oefenen, maar dat is niet zo gemakkelijk omdat je doof bent, Nederlands leren is belangrijker. Als je naar de winkel gaat, kan je misschien niet zeggen wat je wil, maar je kan wel op een papier schrijven wat je nodig hebt. Daarom moet je goed Nederlands oefenen en veel lezen en leren, dat is goed voor later.’ Blijkbaar was dat iets nieuw voor hem, want hij trok zo’n gezicht van ‘Oh god, daar had ik nog niet aan gedacht!’. Hmm..
Sherida is een rolmodel voor de kinderen! Zij begrijpt hen het beste van alle opvoedsters en ook kinderen van andere groepen komen wel eens naar haar toe. Soms vertaalt ze eens voor een andere opvoeder wat een kind zegt, want de horende opvoeders begrijpen de kinderen niet altijd helemaal. Ze doet haar werk eigenlijk heel erg goed, en ik werk graag met haar samen. Van haar leer ik elke dag wel een Surinaams gebaar bij, en ook ik kan haar wat bieden want ze heeft nooit een opleiding gevolgd voor opvoedster (alle doven gaan naar de dovenschool en daar hebben ze die opleiding niet).
Mijn plannen op het internaat ga ik nog niet allemaal blootgeven, want het is nu allemaal nog abstract. Pas als ze echt op punt staan, zal ik ze posten.
woensdag 4 maart 2009
Eindelijk...
Eindelijk hoeven jullie niet meer te wachten en heb ik eens actie ondernomen! Het heeft met verschillende factoren te maken dat ik zo lang niets meer van me liet horen op deze blog. Blijkbaar is mijn uitstelgedrag hier wat erger geworden, maar ook mijn laptop deed het niet. Na een zoektocht naar een transformator, die ik dus blijkbaar niet nodig had, volgde een zoektocht naar een nieuwe adaptor, want blijkbaar is de oude stuk. Ik heb werkelijk hele fietstochtjes gedaan, behoorlijk gezweet, met telkens een vijver op mijn rug, maar met een gewenst resultaat: ik kan weer op mijn laptop!
Hoe het nu met me gaat? Nu blijf ik twee daagjes thuis omdat ik wat ziekjes ben. Ja, de eerste keer hier in Suriname. Blijkbaar is de buikgriep in omloop en ik mag nog van geluk spreken dat ik niet moet braken en ‘poepen’ tegelijk. Het woordgebruik van het Surinaams Nederlands is wel wat anders dan het Vlaams en dat kan wel eens tot grappig klinkende zinsconstructies leiden. Trouwens, de bevolking hier vraagt openlijk naar wat ik heb als ze horen dat ik ziek ben, in Vlaanderen is dat eerder een privé-zaak. Ik krijg ook tips her en der: droog eten, warme soep, geen vet, cola met een mespuntje zout, en ga zo maar door. Die vriendelijke en open houding zal ik toch wel missen als ik terug ga naar mijn thuislandje. Ja, je wordt hier helemaal niet aan je lot overgelaten, ik krijg voortdurend tips en 'waarschuwingen'. Wat de Surinamers zeggen, volg ik dan ook op: niet op straat alleen in het donker, niet fietsen in het donker, alles goed afsluiten, niet alleen naar de centrale markt na sluitingstijd, geen taxi op straat nemen, niet met je gsm bezig zijn in die buurt, enz.
Als ik de taxi neem of ik word thuisgebracht schrikken ze vaak dat ik alleen thuis ben. Chiel gaat ook geregeld weg, en hij gaat binnenkort verhuizen. Hij kan hier niet goed slapen omdat een buur 's nachts de muziek erg luid zet. De huisbazin, Ingrid, is al eens bij die buur langs geweest, maar het gebeurt toch opnieuw... Wat ik zal doen als Chiel weg is, weet ik nog niet, want ik woon hier eigenlijk goed: kortbij de school en veilig. Ingrid heeft ook gevraagd aan het taxibedrijf links naast mij om het hier een beetje in het oog te houden, en zij zelf woont rechts naast mij. Zorgen maken over mijn veiligheid hoeft dus niet.
Jahoor, ik begin echt van dit landje te houden. Het land is wel groter dan België, maar de bevolking telt maar een half miljoen mensen. ‘Het is een kleine, maar open bevolking’, zijn de woorden van Ben Nicolai, die hier op bezoek is geweest, samen met Francis Loyens en een zekere meneer die Stefan heet. Alle drie komen ze van het KHLim, mijn school, hier mogelijkheden verkennen om in de toekomst stagiaires te sturen. Ze waren 10 dagen hier, met een erg druk programma, want ze hadden overal afspraken met allerlei mensen en instanties. Ik ben blij dat ze beseffen dat het hier overspoeld wordt met bakra’s: Nederlandse stagiaires die hier lekker wat willen genieten van de zon (ja, in de tuin van het internaat heb ik er al zien zonnen in bikini, waar de jongens van het internaat al kwijlend naar kijken) en intussen wordt het land ook populairder in Vlaanderen, maar Vlamingen zijn geliefder bij de Surinamers. Dus ze weten wel dat ze geen heel vliegtuig met KHLim-stagiaires hoeven toe te sturen.
Of ik dat trouwe Belgenlandje nog niet mis? Nee, daarvoor geniet ik te erg van mijn stage, de kinderen, het volkje en bovendien kom ik geregeld wel wat Vlamingen tegen waar ik mijn ervaringen mee kan uitwisselen. ‘Beleef je verblijf hier maar ten volle, met al je zintuigen: voelen, proeven, smaken, zien en ‘horen’, want binnenkort vertrek je weer uit Suriname, het gaat sneller dan je denkt’, is de wijze raad die ik van Ben heb meegekregen. Volgens mij ben ik al goed op weg.
Waar ben ik de laatste weken nog mee bezig geweest? Iedere weekdag laat ik mijn kop zien op het internaat, waar ik intussen mijn draai wel vind. Mevrouw Rosita is een pracht van een mentor, en ik krijg dan ook de kans om enkele ideetjes die ik heb, uit te voeren. Verder verloopt de samenwerking met Sherida (dove groepswerkster) en Lydia wel goed, Priscilla is intussen op zwangerschapsverlof. In het weekend gedraag ik mij meestal samen met andere Vlamingen als echte bakra’s (Sranan Tongo voor ‘blanke’): La Cav, ’t Vat of Broki zijn maar enkele plaatsen waar je alleen maar blanken ziet, en die worden bekeken als apen in de zoo door het Surinaamse manvolk.
Daarnaast neemt Henk, de voorzitter van Sudobe (Stichting Surinaamse Doven Belangen) mij overal mee naartoe: een Hindoestaanse bruiloft, bezoekjes aan doven, een Javaans geboortefeestje, naar Nieuw-Amsterdam, enz. In ruil daarvoor trakteer ik hem eens op een drankje of een etentje en probeer ik Sudobe te ondersteunen. Afgelopen zaterdag heeft Sudobe een activiteit georganiseerd. Pas maandagavond wisten ze echt wat ze moesten zeggen: dat was pas last-minute-voorbereiding! Er vond een soort van vorming plaats over mensenrechten en dovencultuur aan ouders van dove kinderen en dove volwassenen. Het was voor het bestuur de eerste keer dat ze zelf informatie gaven in SGT (Surinaamse Gebarentaal) aan een publiek. De opkomst was groter dan ik had verwacht en voor de geïnteresseerden: ik heb filmpjes gemaakt, die ik graag wil tonen als ik weer in België ben.
Neen, veel stilzitten doe ik hier niet, ik verveel me nooit. Ik heb contact met Vlamingen en Nederlanders en ik heb ook het geluk dat ik contacten heb met de lokale bevolking: de dove Surinamers. Veel bakra’s zoeken geen contact of vinden het moeilijk om contacten te leggen, en vallen dan terug op hun landgenoten… Dat probeer ik in zekere zin wel te vermijden, meestal spreek ik één keer per week af met bakra’s, maar als ik word meegevraagd of uitgenodigd door mensen van hier, krijgen die voorrang. En de Vlamingen waar ik contact mee heb, zijn zelf geen echte bakra’s die hier halfnaakt rondlopen met vlechtjes in hun haar en die twee keer per week naar de salsales gaan.
Hier in huis is het een puinhoop! Er is in geen tijden nog gekuist geweest, er staat een hoop afwas, mijn rommel ligt overal verspreid en ik word vergezeld door Chiel en enkele huisdieren. Mieren kom ik overal tegen, ook in de keuken, en salamanders kruipen ’s avonds over de muren en het plafond, zelfs in mijn glas. Kakkerlakken ben ik nog gelukkig niet tegengekomen, al heb ik wel al een zwart ding pijlsnel over de vloer zien gaan op een rustige avond. Vraag me niet wat het was. Oh, bijna was ik die venijnige muskieten vergeten te vernoemen: mijn voeten zien er vies uit door die rode bultjes, waarvan ik er ééntje per ongeluk heb open gekrabt. Andere plekjes op mijn lijf zijn minder populair, dus daar kom ik maar sporadisch een jeukerig spoor tegen. Honden lopen hier overal op straat en telkens hoop ik er geen mij zal aanvallen, want daar hoor ik wel eens van, maar het is mij nog niet overkomen. En soms zie ik eens een mannetje met een vogeltje in een kooi rondlopen waar ze hopen prijzen mee te winnen op de fameuze zangvogelwedstrijden op zondagvoormiddag. Allemaal beestjes dus. Wordt vervolgd, want een bezoekje aan de zoo, het regenwoud met slangen, brulapen en reuze-insekten en Galibi met zijn reuzeschildpadden mag niet ontbreken aan mijn verblijf hier in Suriname.
Ziezo, meer bijzonderheden heb ik niet te vertellen over mijn belevenissen hier. Wel beloof ik spoedig een nieuwe blogpost over de Surinaamse Dovengemeenschap.
Goedenavond.
Hoe het nu met me gaat? Nu blijf ik twee daagjes thuis omdat ik wat ziekjes ben. Ja, de eerste keer hier in Suriname. Blijkbaar is de buikgriep in omloop en ik mag nog van geluk spreken dat ik niet moet braken en ‘poepen’ tegelijk. Het woordgebruik van het Surinaams Nederlands is wel wat anders dan het Vlaams en dat kan wel eens tot grappig klinkende zinsconstructies leiden. Trouwens, de bevolking hier vraagt openlijk naar wat ik heb als ze horen dat ik ziek ben, in Vlaanderen is dat eerder een privé-zaak. Ik krijg ook tips her en der: droog eten, warme soep, geen vet, cola met een mespuntje zout, en ga zo maar door. Die vriendelijke en open houding zal ik toch wel missen als ik terug ga naar mijn thuislandje. Ja, je wordt hier helemaal niet aan je lot overgelaten, ik krijg voortdurend tips en 'waarschuwingen'. Wat de Surinamers zeggen, volg ik dan ook op: niet op straat alleen in het donker, niet fietsen in het donker, alles goed afsluiten, niet alleen naar de centrale markt na sluitingstijd, geen taxi op straat nemen, niet met je gsm bezig zijn in die buurt, enz.
Als ik de taxi neem of ik word thuisgebracht schrikken ze vaak dat ik alleen thuis ben. Chiel gaat ook geregeld weg, en hij gaat binnenkort verhuizen. Hij kan hier niet goed slapen omdat een buur 's nachts de muziek erg luid zet. De huisbazin, Ingrid, is al eens bij die buur langs geweest, maar het gebeurt toch opnieuw... Wat ik zal doen als Chiel weg is, weet ik nog niet, want ik woon hier eigenlijk goed: kortbij de school en veilig. Ingrid heeft ook gevraagd aan het taxibedrijf links naast mij om het hier een beetje in het oog te houden, en zij zelf woont rechts naast mij. Zorgen maken over mijn veiligheid hoeft dus niet.
Jahoor, ik begin echt van dit landje te houden. Het land is wel groter dan België, maar de bevolking telt maar een half miljoen mensen. ‘Het is een kleine, maar open bevolking’, zijn de woorden van Ben Nicolai, die hier op bezoek is geweest, samen met Francis Loyens en een zekere meneer die Stefan heet. Alle drie komen ze van het KHLim, mijn school, hier mogelijkheden verkennen om in de toekomst stagiaires te sturen. Ze waren 10 dagen hier, met een erg druk programma, want ze hadden overal afspraken met allerlei mensen en instanties. Ik ben blij dat ze beseffen dat het hier overspoeld wordt met bakra’s: Nederlandse stagiaires die hier lekker wat willen genieten van de zon (ja, in de tuin van het internaat heb ik er al zien zonnen in bikini, waar de jongens van het internaat al kwijlend naar kijken) en intussen wordt het land ook populairder in Vlaanderen, maar Vlamingen zijn geliefder bij de Surinamers. Dus ze weten wel dat ze geen heel vliegtuig met KHLim-stagiaires hoeven toe te sturen.
Of ik dat trouwe Belgenlandje nog niet mis? Nee, daarvoor geniet ik te erg van mijn stage, de kinderen, het volkje en bovendien kom ik geregeld wel wat Vlamingen tegen waar ik mijn ervaringen mee kan uitwisselen. ‘Beleef je verblijf hier maar ten volle, met al je zintuigen: voelen, proeven, smaken, zien en ‘horen’, want binnenkort vertrek je weer uit Suriname, het gaat sneller dan je denkt’, is de wijze raad die ik van Ben heb meegekregen. Volgens mij ben ik al goed op weg.
Waar ben ik de laatste weken nog mee bezig geweest? Iedere weekdag laat ik mijn kop zien op het internaat, waar ik intussen mijn draai wel vind. Mevrouw Rosita is een pracht van een mentor, en ik krijg dan ook de kans om enkele ideetjes die ik heb, uit te voeren. Verder verloopt de samenwerking met Sherida (dove groepswerkster) en Lydia wel goed, Priscilla is intussen op zwangerschapsverlof. In het weekend gedraag ik mij meestal samen met andere Vlamingen als echte bakra’s (Sranan Tongo voor ‘blanke’): La Cav, ’t Vat of Broki zijn maar enkele plaatsen waar je alleen maar blanken ziet, en die worden bekeken als apen in de zoo door het Surinaamse manvolk.
Daarnaast neemt Henk, de voorzitter van Sudobe (Stichting Surinaamse Doven Belangen) mij overal mee naartoe: een Hindoestaanse bruiloft, bezoekjes aan doven, een Javaans geboortefeestje, naar Nieuw-Amsterdam, enz. In ruil daarvoor trakteer ik hem eens op een drankje of een etentje en probeer ik Sudobe te ondersteunen. Afgelopen zaterdag heeft Sudobe een activiteit georganiseerd. Pas maandagavond wisten ze echt wat ze moesten zeggen: dat was pas last-minute-voorbereiding! Er vond een soort van vorming plaats over mensenrechten en dovencultuur aan ouders van dove kinderen en dove volwassenen. Het was voor het bestuur de eerste keer dat ze zelf informatie gaven in SGT (Surinaamse Gebarentaal) aan een publiek. De opkomst was groter dan ik had verwacht en voor de geïnteresseerden: ik heb filmpjes gemaakt, die ik graag wil tonen als ik weer in België ben.
Neen, veel stilzitten doe ik hier niet, ik verveel me nooit. Ik heb contact met Vlamingen en Nederlanders en ik heb ook het geluk dat ik contacten heb met de lokale bevolking: de dove Surinamers. Veel bakra’s zoeken geen contact of vinden het moeilijk om contacten te leggen, en vallen dan terug op hun landgenoten… Dat probeer ik in zekere zin wel te vermijden, meestal spreek ik één keer per week af met bakra’s, maar als ik word meegevraagd of uitgenodigd door mensen van hier, krijgen die voorrang. En de Vlamingen waar ik contact mee heb, zijn zelf geen echte bakra’s die hier halfnaakt rondlopen met vlechtjes in hun haar en die twee keer per week naar de salsales gaan.
Hier in huis is het een puinhoop! Er is in geen tijden nog gekuist geweest, er staat een hoop afwas, mijn rommel ligt overal verspreid en ik word vergezeld door Chiel en enkele huisdieren. Mieren kom ik overal tegen, ook in de keuken, en salamanders kruipen ’s avonds over de muren en het plafond, zelfs in mijn glas. Kakkerlakken ben ik nog gelukkig niet tegengekomen, al heb ik wel al een zwart ding pijlsnel over de vloer zien gaan op een rustige avond. Vraag me niet wat het was. Oh, bijna was ik die venijnige muskieten vergeten te vernoemen: mijn voeten zien er vies uit door die rode bultjes, waarvan ik er ééntje per ongeluk heb open gekrabt. Andere plekjes op mijn lijf zijn minder populair, dus daar kom ik maar sporadisch een jeukerig spoor tegen. Honden lopen hier overal op straat en telkens hoop ik er geen mij zal aanvallen, want daar hoor ik wel eens van, maar het is mij nog niet overkomen. En soms zie ik eens een mannetje met een vogeltje in een kooi rondlopen waar ze hopen prijzen mee te winnen op de fameuze zangvogelwedstrijden op zondagvoormiddag. Allemaal beestjes dus. Wordt vervolgd, want een bezoekje aan de zoo, het regenwoud met slangen, brulapen en reuze-insekten en Galibi met zijn reuzeschildpadden mag niet ontbreken aan mijn verblijf hier in Suriname.
Ziezo, meer bijzonderheden heb ik niet te vertellen over mijn belevenissen hier. Wel beloof ik spoedig een nieuwe blogpost over de Surinaamse Dovengemeenschap.
Goedenavond.
Abonneren op:
Reacties (Atom)